Handelingen van de apostelen
De meest uitgebreide beschrijving is te vinden in het begin van het boek Handelingen van de Apostelen. Daar vertelt Lucas dat Jezus zich na zijn verrijzenis nog gedurende veertig dagen aan zijn leerlingen heeft laten zien. In die periode spreekt Hij met hen over het Koninkrijk van God en bereidt Hij hen voor op wat komen gaat.
Kort voor zijn opname in de hemel belooft Hij hun de Heilige Geest en geeft Hij hun de opdracht om zijn getuigen te zijn, te beginnen in Jeruzalem en uiteindelijk tot aan de uiteinden van de aarde. Terwijl de leerlingen toekijken, wordt Jezus opgenomen in de hemel en onttrokken aan hun blik. Twee hemelse boodschappers maken duidelijk dat dit heengaan niet het einde is, maar dat Jezus op een dag op dezelfde wijze zal terugkomen. In het Bijbelboek Handelingen is Hemelvaart daarmee zowel het slot van Jezus’ zichtbare aanwezigheid op aarde als het begin van de missie van zijn leerlingen. (Handelingen 1,1–11)
Evangelie van Lucas
Aan het einde van het Lucasevangelie beschrijft dezelfde auteur de Hemelvaart met een ander accent. Jezus brengt zijn leerlingen naar de omgeving van Betanië, heft zijn handen op en zegent hen. Terwijl Hij hen zegent, wordt Hij van hen weggenomen en opgenomen in de hemel. Opvallend is de reactie van de leerlingen. Er is geen paniek of verdriet, maar aanbidding en grote vreugde. Ze keren terug naar Jeruzalem en blijven God loven in de tempel. De Hemelvaart is hier geen somber afscheid, maar een overgang die vertrouwen en dankbaarheid oproept. (Lucas 24, 50–53)
Evangelie van Marcus
Ook het Marcusevangelie verwijst naar dit moment, zij het in zeer beknopte vorm. Jezus wordt opgenomen in de hemel en neemt plaats aan de rechterhand van God. Meteen daarna richt de tekst de blik op de leerlingen, die uitgaan om te verkondigen. Hemelvaart wordt hier direct verbonden met de voortgang van de boodschap. (Marcus 16,19–20)
Evangelie van Johannes
Niet alle evangeliën vertellen het Hemelvaartverhaal als gebeurtenis, maar vooral het Johannesevangelie laat zien dat Jezus zijn heengaan al tijdens zijn leven aankondigt. Na zijn verrijzenis zegt Hij tegen Maria Magdalena dat Hij opstijgt naar zijn Vader. In de afscheidswoorden tot zijn leerlingen legt Jezus uit dat zijn vertrek noodzakelijk is, omdat anders de Heilige Geest niet zal komen. In deze teksten wordt Hemelvaart voorgesteld als een beweging die ruimte schept voor een nieuwe wijze van Gods nabijheid. (Johannes 16,5–7; Johannes 20,17)
Brieven van het Nieuwe Testament
In de brieven van de apostelen die zijn opgenomen in het tweede deel van de Bijbel, het Nieuwe Testament, krijgt Hemelvaart een diepere betekenis. Meerdere auteurs spreken over Christus die nu aan de rechterhand van God is. Jezus deelt in Gods heerschappij en staat boven alle machten en krachten. Tegelijk wordt benadrukt dat Hij blijft optrekken met de mensen. Paulus schrijft dat Christus bij God is en voor hen pleit. De Hebreeënbrief beschrijft Hem als de grote hogepriester die door de hemelen is gegaan en blijvend tussen God en mensen staat. (Romeinen 8,34; Efeziërs 1,20–23; Hebreeën 1,3; Hebreeën 4,14)
Vanuit de hemel verbonden
Wanneer deze Bijbelteksten samen worden gelezen, ontstaat een breed en samenhangend beeld. Hemelvaart markeert het moment waarop Jezus’ aardse aanwezigheid wordt voltooid en Hij terugkeert naar de Vader. Tegelijk betekent zijn verheffing niet dat Hij zich terugtrekt uit de wereld. Integendeel, zijn nieuwe positie maakt zijn betrokkenheid blijvend en universeel. Vanuit de hemel blijft Hij verbonden met de mensen en bereidt Hij de weg voor de werking van de Heilige Geest. De belofte dat Hij zal terugkomen blijft daarbij nadrukkelijk aanwezig. (Filippenzen 2,9–11; Kolossenzen 3,1; Johannes 16,7)
De Bijbel laat Hemelvaart zien als een keerpunt in het verhaal van God en de mensen. De leerlingen blijven niet staan op de plaats van afscheid, maar keren terug naar het dagelijks leven, met een opdracht en een verwachting. Zo is Hemelvaart volgens de Schrift geen uitnodiging om alleen omhoog te kijken, maar om met vertrouwen verder te gaan, in het besef dat Christus leeft, verheven is en betrokken blijft. (Handelingen 1,8–11; Lucas 24,52–53; 1 Petrus 3,22)
Dit artikel is gebaseerd op teksten uit het Nieuwe Testament volgens de Willibrordvertaling 1975, uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting. Gebruikte Bijbelgedeelten zijn onder meer Lucas 24, Handelingen 1, Marcus 16, Johannes 16 en 20, Romeinen 8, Efeziërs 1, Filippenzen 2, Kolossenzen 3, Hebreeën 1 en 4, en 1 Petrus 3.


